woensdag 7 mei 2014

Zoek


Zoek

Augustus 1968
                                             1

Hij sjeesde over de weg, moeder was al bijna niet meer te zien. Omkijken bleek niet erg slim, hij maakte een geweldige zwieper. In zijn hoofd hoorde hij een commentaarstem van Sport in Beeld zeggen: “Al op tienjarige leeftijd was het duidelijk dat we hier met een toptalent van doen hebben. Kijk eens naar die formidabele stuurtechniek die hem ook in deze moeilijke situatie op de been houdt!” Hij was maar wat blij met zijn fiets en nu het zulk mooi weer was en hij met moeder boodschappen ging doen, kon hij goed oefenen.

Daar was de winkel van de Gruyter al in zicht. Hij zette nog eens goed aan, het peloton was op flinke achterstand gezet en Eddie kon al niet meer verliezen. Hijgend zette hij zijn fiets in de fietsklem voor de winkel. Eigenlijk was het wel jammer dat hij zo’n stomme achternaam had, Eddie Inthorst klonk toch voor geen meter! Waarom was hij nu toch geboren bij de Inthorsts en niet bij een familie als Merckx, Swerts, of desnoods Janssen.

Het zou wel even duren voordat zijn moeder zou aankomen, hij had haar op flinke achterstand gezet. Hij besloot om op de fietsklem naast de zijne te gaan zitten en maar geduldig te zijn. Zo nu en dan kwamen er mensen uit de winkel met volle tassen en er kwamen nieuwe klanten, waarvan er een de fietsklem nodig had, waarop hij zat. De mensen keken soms even naar hem, hadden hem vast over de weg zien racen en dachten: “Wat een bijzondere jongen! Zo jong en dan al zo hard kunnen rijden!”

Het duurde nu toch wel erg lang; hij zat hier maar te wachten. Hij had als hij tassen en geld had gehad, de boodschappen al hebben kunnen doen voordat ze bij de winkel was. Als ze maar niet had geprobeerd om mee te racen! Misschien was ze wel gevallen! In zijn gedachten zag hij haar al worden ingeladen in een ambulance. Hij schudde de gedachte van zich af; hij had als dat gebeurd was, vast wel een sirene van die ambulance gehoord.

De mevrouw die zijn fietsklem had gebruikt, kwam inmiddels weer naar buiten met haar tas en pakte haar fiets. “Dan kan jij weer zitten, joh!” zei ze met een knipoog. Hij werd er niet vrolijk van, moeder duurde veel te lang. Hij besloot de weg terug te fietsen en onderweg goed om zich heen te kijken. Misschien had ze wel een lekke band, dat zou zo maar kunnen. Hij zag haar nergens en hij fietste inmiddels al voorbij het punt waarvan hij was begonnen te spurten.

Het hart klopte hem in de keel; waar was zijn moeder gebleven? Ze kon toch niet zomaar in het niets verdwenen zijn. Zou het iets met een vliegende schotel te maken kunnen hebben? Je hoorde wel eens van mensen die ontvoerd werden door buitenaardse wezens. Hij was nu al thuis en zag haar nog steeds niet. Hij zette zijn fiets tegen het huis; alles was op slot, dus thuis was ze niet.

Hij was inmiddels radeloos en ging op de stoep zitten. Soms had je ambulances zonder sirene; zouden ze die gebruiken als het om een dood persoon ging? Hij zag zichzelf al aan de rand van haar graf staan en begon te huilen.
De buurvrouw van de overkant kwam haar huis uit en ging naar hem toe. “Wat is er Eddie?” vroeg ze. “Moeder, moeder, huhuhu”, hij snikte het uit. “Ze is vast dood.”
Ze kan nog aardig fietsen voor een dooie”, lachte de buurvrouw. Hij keek op; daar was ze en ze keek niet echt blij. “Waar was je nou, domme jongen? Ik heb nog een tijd staan wachten bij Simon de Wit, maar al wie er kwam, geen Eddie!” Het was achteraf gewoon een misverstand: Eddie meende dat ze zoals altijd naar De Gruyter zou gaan, maar zijn moeder had gezegd dat ze deze keer naar Simon de Wit gingen. Hij had het niet gehoord.

Fijn dat je me zo hebt geholpen, maar niet heus!”, moeder was nog steeds boos. Hij klemde zich vast aan haar jas en snikte het nog uit. “Ik dacht dat u dood was, huhuhu!” “Rustig nu maar”, zei moeder, “We hebben het er niet meer over.” De buurvrouw liep, nog steeds lachend, terug naar haar huis.

Hij was blij dat er niets was gebeurd, hoopte nu maar dat ze niets tegen vader zou zeggen. En hij wilde het hele gedoe snel vergeten en hoopte maar dat moeder dat ook wilde. Dat viel wat tegen: toen hij onder het eten even naar de wc moest, hoorde hij ze praten en vader keihard lachen. “Niks meer over zeggen”, hoorde hij zijn moeder zeggen, maar zijn vader lachte het weg. Nog dagenlang noemde vader hem “Jankert” in plaats van Eddie.


Augustus 1978
2

Vanaf het moment dat ze in Abbeville op de fiets waren gestapt, hadden ze die gemeen harde tegenwind gehad. Op sommige stukken werd je bijna de adem ontnomen. Normaal zouden ze elkaar afwisselen met op kop rijden, maar nu vond Eddie het vanzelfsprekend dat hij voorop reed en Alice uit de wind hield.
Hij was blij dat ze het gisteravond uiteindelijk weer hadden bijgelegd. De hele dag had hij erover zitten dubben of hij niet de brui zou geven aan deze fietsvakantie naar Bretagne. Het had een goed idee geleken om dit samen te doen en dan te kijken of hun relatie hier tegen bestand was. Daarna zouden ze beslissen of ze zouden gaan samenwonen. Voor heel wat vrienden leek dit een besluit dat veel eerder genomen had kunnen worden. Het was inderdaad wat al te gek dat ze op het moment een dubbele huur hadden te betalen.

Zoals het gisteren aan het eind van de dag was geweest, zo zou het altijd moeten zijn. Na een hele dag bijna zwijgend met elkaar doorbrengen, had Alice aan het eind van de middag het ijs gebroken in de piepkleine douche. Het geval stond in een hoek van de ouderwetse hotelkamer en het was al een wonder dat ze er samen in konden. Maar zij zagen kans om een heerlijke vrijpartij in het ding te hebben. Naderhand hadden ze elkaar liefkozend afgedroogd en waren op bed gaan liggen. Van rusten kwam niets; Alice eiste meer en als ze iets wilde, probeerde Eddie eraan te voldoen.

Onder het eten hadden ze over de avond ervoor gepraat. Alice bood haar excuus aan, maar vroeg ook begrip. Ze snapte ook wel dat Eddie het niet echt geweldig vond als ze zo uitdagend gekleed ging, maar ze genoot van de aandacht dat het opleverde. Eddie zei wel dat er verschil zat tussen aandacht krijgen en haar ongegeneerde flirten in de gelagkamer van de auberge met die Vlaamse jongens. Hij had er stevig van gebaald en wist niets anders dan dat te laten zien door naar bed te gaan.

Hij had heus wel gehoord dat zij een uurtje later naar boven kwam. Ze zouden een van de twee eenpersoonsbedden samen delen, maar hij had voorgewend te slapen en ze was in het andere bed gestapt. Hij hoorde haar huilen, maar had besloten geen krimp te geven. De volgende ochtend was er een zwijgend ontbijt, waarna ze richting Abbeville gingen.

Nou ja, hij moest het hele gedoe maar proberen te vergeten. In elke verhouding gebeurde wel eens wat. Die wind was wel goed om alle duffe gedachten uit je hoofd te laten waaien. Aan de andere kant was deze etappe misschien niet goed gepland door hem. Zestig kilometer voor de wind of zestig tegen de wind; daar zit wel wat verschil in. En al die bagage op de fietsen maakte het extra zwaar. Hij had de tent, het gaspitje en de olielamp; zij had alle pannen en bestek. Het maakte de fietsen wat instabiel en hij hield soms zijn hart vast als er weer een vrachtwagen voorbij scheurde. Wat dat betreft miste je hier de Nederlandse fietspaden.

Er kwam een rotonde aan in het dorpje dat ze doorfietsten: even wat anders, dan kreeg je de wind van opzij. Hij keek eens achterom, misschien wilde ze verderop even pauzeren, even op adem komen. Niemand! De weg achter hem was volkomen verlaten, geen levend wezen te zien. Het hart sloeg hem in de keel: er was toch niets gebeurd? Als ze gevallen was, had hij dat toch wel gehoord? Ze had dan toch ook wel geroepen? Dat had hij heus wel gehoord, ondanks die rot-wind.

Een ogenblik dacht hij na, wist niets beters te doen dan rechtsomkeert te maken, terug van waar ze kwamen. Misschien stond ze verderop wel uit te hijgen, of had misschien een toilet-stop moeten maken. Ook dan had ze hem natuurlijk wel even kunnen waarschuwen. Hij dacht na waar hij haar het laatst had gezien, stapte weer op en reed de rotonde rond op weg terug.

3

De rand van Abbeville was alweer in zicht en hij had geen spoor gezien van Alice of haar fiets. Hij had ook goed gekeken bij greppels en hoog gras, maar Alice leek in het niets te zijn verdwenen. Hij piekerde zich suf over wat er gebeurd zou kunnen zijn.

Ergens in zijn achterhoofd hoorde hij een vervelend stemmetje telkens een paar woorden herhalen: “Domme Jongen!” Hij voelde een soort steen in zijn maag drukken, probeerde angstige gedachten weg te drukken. Hij had geen ambulance of iets dergelijks gehoord; het leek hem dat er geen ongeluk kon zijn gebeurd.

Zou ze zich voor hem verstoppen? Dat zou hij niet echt een leuk spel vinden, zou Alice zoiets doen? Hij kon het zich niet voorstellen. Aan de andere kant: als iemand niet gevonden wil worden, kan die iemand het anderen erg lastig maken.

Hij fietste maar door, naar het hotelletje in Abbeville. Er was geen enkele mogelijkheid voor haar geweest om hem ongemerkt in te halen en inmiddels bij het volgende doel te zijn, dat wist hij zeker. Voor het hotel stonden een paar fietsen; hij keek eens goed, maar haar fiets stond er niet tussen. Hij besloot om zijn bagage maar weer van de fiets te halen en nog een nacht in het hotel te blijven. Maar even afwachten, misschien dook ze wel op.

In het hotel keek de eigenaar hem bevreemd aan; hij legde uit dat zijn vriendin zoek was geraakt en dat hij hoopte dat ze straks hier ook zou komen. Hij kon zonder problemen terecht op zijn oude kamer en installeerde zich maar weer. Op de rand van het bed dacht hij even na. Hij kon nog een ding doen!

Aan de hotelier vroeg hij om naar het hotel in Saint-Maxent te kunnen bellen. Hij wilde vragen of ze misschien toch daar terecht was gekomen. Je kon nooit weten! De hotelier bood aan om het zelf te doen, was voor hem wat gemakkelijker. Eddie knikte, dat was natuurlijk wel zo. Perfect was zijn Frans niet. De hotelier kreeg vrij snel gehoor, lachte wat met zijn collega en vroeg toen naar Alice. Het bleek dat ze ook daar niet was aangekomen.

Eddie wist het nu ook niet meer. Hij besloot om maar een douche te gaan nemen en daarna wat te gaan drinken in het hotel. Het douchen was wel even wat anders dan de vorige keer in de cabine. Hij voelde zich leeg en uitgeblust, misschien moest hij eerst maar eens wat rusten.

4

Die nacht had hij een vreselijke droom. Alice en hij fietsten in de bergen; het ging omhoog in haarspeldbochten en zij fietste voorop. Eddie zag dat er een bocht aankwam, Alice keek achterom, lachte en maakte luchtkusjes naar hem. Hij wilde roepen: “Kijk voor je!” Maar zijn keel zat dichtgeknepen en hij kon er geen geluid uit krijgen. Terwijl hij geluidloos schreeuwde, zag hij haar over de rand in de afgrond verdwijnen.

Zwetend werd hij wakker, van slapen kwam niets meer terecht. Het was dus geen wonder dat hij er de volgende dag als een zombie uitzag. Hij zat al vroeg aan het ontbijt en werkte een paar koppen koffie achter elkaar naar binnen terwijl de hotelier bezorgd naar hem keek. Hij kwam vertellen dat hij nog eens naar Saint-Maxent had gebeld en dat Alice niet was gearriveerd. Eddie begroef zijn hoofd in zijn handen; hij had geen idee wat te doen.

De hotelier bood Eddie aan om samen naar de politie te gaan. Het politiebureau was niet ver van het hotel. Hij wilde wel helpen met uitleggen; zou zijn vrouw vragen om zijn werk even over te nemen.

Op het bureau werden ze door de agent aan de balie overgedragen aan een collega in burgerkledij. Eddie vertelde over wat er gebeurd was in zijn beste schoolfrans, de hotelier vulde hier en daar wat aan. Foto’s had Eddie niet bij zich, dus moest hij een goed beschrijving geven. Met wat hulp lukte dat aardig.

De hotelier en de politieman zetten nog wat laatste puntjes op de i terwijl Eddie zichzelf beklaagde. In wat voor toestand was hij in vredesnaam beland? Had hij dit aan zichzelf te danken? “Domme jongen!”, hoorde hij het kleine stemmetje in zijn achterhoofd zeggen.

Eddie keek mistroostig naar buiten, wilde de mannen niet laten zien dat zijn ogen vol tranen stonden. De mannen praatten door terwijl ze naar Eddie keken. In de weerspiegeling in het raam kon hij zien dat de politieman een gebaar maakte naar de hotelier. Hij stak zijn wijsvingers naast zijn oren gekromd omhoog. Eddie voelde hoe hij rood aanliep, hij snapte het gebaar: hoorndrager. De politieman ging er dus van uit dat Eddie gewoon werd belazerd.

Toen hij weer wat rustiger was, stond hij even stil bij de gedachte van de politieman. Als je er zo naar keek, leek alles heel anders. Als ze niet gevonden wilde worden, had ze goed werk afgeleverd. Alle andere mogelijkheden leken hem eigenlijk bizar. Aan zijn droom had hij ook niets, in deze omgeving was er amper een heuvel te ontdekken laat staan dat er bergen en ravijnen waren.

Terug in het hotel bedankte hij de hotelier voor alle moeite die deze voor hem had gedaan en zei hem dat hij in Abbeville maar naar het station zou gaan. Met de trein kon hij naar Lille en vandaar zou hij geen enkel probleem hebben om terug naar Utrecht te gaan. De hotelier bood hem nog aan om hem met de auto naar het station te brengen. Beleefd sloeg hij dit af, naar het station gaan leek hem geen punt. Hij zou daar wel wachten op de eerste trein naar Lille.

Toen hij met zijn bagage naar beneden kwam, bood de hotelier hem nog een keer aan om hem te brengen. Op die manier zou hij de trein net kunnen pakken; anders was het toch wel een tijdje wachten. Het maakte Eddie niet uit; hij had alle tijd, hij zou wel wachten. Hij betaalde, bedankte hem en na een handdruk ging hij naar zijn fiets.

De hotelier riep hem nog een keer terug, vroeg naar zijn adres en telefoonnummer in Nederland. Als hij nieuws zou hebben, zou hij het doorgeven. Eddie schreef zijn adres en telefoonnummer op, bedankte nog maar een keer en keerde deze keer niet meer om. Hij hoorde de hotelier achter hem aanlopen en hij kon gewoon voelen hoe de goede man hem nakeek.

5

Hij had een toeslag moeten betalen voor zijn fiets. Veel luxe leverde dit niet op: hij moest op een opklapstoel in het halletje van de boemel. De enige extra service was dat de conducteur vriendelijk "Ca va?" tegen hem zei. Daarna was hij aan zichzelf overgeleverd. Passagiers die op de kleine stationnetjes in- of uitstapten keken geinteresseerd naar zijn overbeladen fiets en naar hem, maar zeiden verder niets en de conducteur liet zich verder niet meer zien.

Hij dacht terug aan een incident van alweer bijna een half jaar geleden.
Het was weer eens uit geweest en ze verraste hem door onverwacht voor zijn deur te staan. Het was beestenweer geweest en ze had twee grote plastic tassen vol boodschappen bij zich. Ze had boodschappen voor hen gehaald, wilde iets lekkers maken. Ze kuste hem waarbij haar natte haren in zijn gezicht sloegen en zei iets over dat het haar allemaal zo speet.

Terwijl zij een douche nam, pakte hij de boodschappen uit de tas en etaleerde ze op het aanrecht. Er viel zeker iets lekkers van te maken en de twee flessen rode wijn zagen er veelbelovend uit. Ze had zeker gehoord dat hij de flessen neer zette, stak haar hoofd om de hoek van de deur van de badkamer: "Maak jij een fles open? Dat kookt straks wat fijner!"

Het eten was heerlijk geweest, hij deed daarna de afwas waarbij zij hem zo nu en dan een slokje wijn kwam brengen. Beide flessen werden leeg gedronken en het was niet meer dan vanzelfsprekend dat ze bleef slapen. Daar kwam het eerste uur niet veel van terecht. Voor hem voelde alles aan haar bijna zoals de eerste keer dat ze het bed deelden. Het was heerlijk, bijna nieuw voor hem en na afloop was hij in een diepe slaap terecht gekomen.

De volgende dag werd hij veel te laat wakker, belde naar zijn werk dat hij ziek was en kroop nog eens heerlijk tegen haar aan. Die dag kwamen ze het bed bijna niet meer uit. Hij haalde zo nu en dan koffie en Alice gebruikte 's-avonds wat er van de vorige maaltijd was overgebleven om toch nog iets heel smakelijks te bereiden. Ze aten het op bed waarbij ze elkaar te pas en te onpas aanraakten en kusten. Het bed raakte onder de vlekken.

De dag erop besloot hij om nog maar niet te gaan werken, een dagje ziek werd al gauw uitgelegd als een soort spijbelen en hij had geen zin in confrontaties met zijn chef. Terwijl ze tegen het middaguur op bed koffie dronken, begon ze met hem te vertellen waarom ze gekomen was.
Ooit was ze door de kinderbescherming weggehaald bij haar ouders wegens verwaarlozing, was eerst in tehuizen en daarna in een pleeggezin geplaatst. Zij had nog nooit over haar ouders gesproken; hij dacht dat ze niet meer leefden.

Alice had hun adres gevonden, ergens in Amsterdam en wilde hen opzoeken; kijken wat voor mensen het waren. Ze durfde niet alleen en smeekte hem om met haar mee te gaan. Inmiddels had ze tranen in haar ogen en Eddie kon haar niets weigeren.

Hij was inderdaad meegegaan. De ouders woonden in een vervallen huis in een volksbuurt. Alice en hij werden met open armen ontvangen. "Ons Liesje is thuis!" riepen de ouders in verrukking. De buren werden ook gealarmeerd en het werd een drukte van belang. Naar Eddie's gevoel liepen er een tiental kinderen rond van jong tot een jaar of twintig. Welke kinderen familie van Alice waren of van de buren werd hem niet duidelijk. Al met al was het een zeer hartelijk gebeuren.

Toen Alice aangaf dat het weer tijd was om op te stappen, waren de ouders duidelijk teleurgesteld. Eddie gaf aan dat er vast wel een volgende keer zou komen en groette uiteindelijk met een "Tot ziens!" Ze werden uitgezwaaid tot ze om de hoek van de straat uit het gezicht verdwenen.
In de trein terug naar Utrecht was Alice stil. Eddie dacht dat het door de vele indrukken was geweest, die moesten natuurlijk verwerkt worden.

Maar ze bleek boos op hem te zijn. "Tot ziens!" deed ze hem smalend na. "Niks tot ziens! Jij zal ze niet nog eens te zien krijgen!" Met een betraand gezicht begon ze hem uit te schelden. Eddie was het gauw zat. "Bekijk het maar!" riep hij uit en liep naar de volgende coupe in de trein.
In Utrecht liep hij van het station naar de bushalte zonder verder naar haar om te kijken. Zij fietste hem even later voorbij, waarbij ze duidelijk deed alsof ze hem niet zag.

Weken later hadden ze het weer bijgelegd, overigens zonder de ruzie uit te praten. Haar familie had hij niet meer gezien, hij verwachtte niet dat dat voor Alice anders was.
6

De treinreis duurde eindeloos. Vanaf Lille zat hij in een boemel naar Brussel, toen eentje naar Antwerpen en eindelijk Nederland binnen via Eijsden en Roosendaal. Op een gegeven moment kon hij bijna niets anders meer doen dan half slapend op zijn klapstoeltje zitten ondanks het gevoel dat zijn achterwerk van hout was. Zo nu en dan stapten mensen in of uit, maar niemand zei ook maar iets tegen hem behalve de conducteur die hem om zijn kaartje vroeg. Er werd goed gecontroleerd of hij wel betaald had voor zijn fiets.

In Roosendaal beseft hij dat hij die dag nog helemaal niets gegeten had. Hij had vrijwel geen Nederlands geld op zak, bijna geen tijd voordat zijn aansluiting vertrok en besloot naar de automatiek op het perron te lopen. Achter de kleine raampjes lag bijna niets, de zaak had duidelijk goed gedraaid. Jammer voor Eddie maar al wat er over was, was een gerimpelde frikandel. Eddie besloot om daar toch maar genoegen mee te nemen. Hij vond voldoende muntjes en kon het raampje openen. Het ding was half warm en normaal had hij er niet naar omgekeken, maar nu was het het lekkerste wat hij in tijden had gegeten.

Vanaf Roosendaal ging het snel: stoptrein naar Rotterdam en dan eindelijk Utrecht. Hij had de laatste trein en prees zich gelukkig, thuis zou hij eens kijken of hij nog iets te eten had. Vanaf het station slingerde hij, moe als hij was van de reis naar huis. Eerst de fiets in het fietsenhok geplaatst en met de bagage op zijn rug en onder zijn armen ging hij naar zijn appartement.
Hij liet zijn spullen in de huiskamer op de grond vallen en viel gekleed en wel op bed. Eten deed hij morgen wel.

s-Nachts om een uur of 3 werd hij wakker vanwege het knagende gevoel van honger. Hij moest echt wat eten. De koelkast was vrijwel leeg, daar hoefde hij niet in te kijken. In een van de kastjes kwam hij wat blikken tegen: spaghetti, ravioli en witte bonen in tomatensaus. De keus viel op ravioli. Snel in een pan gooien en opwarmen en hij zou kunnen aanvallen.

Zonder erbij na te denken opende hij het kastje met de pannen. Hij kon zich wel voor het hoofd slaan! Zij had alle pannen behalve een bijna versleten steelpannetje. Nog een geluk dat hij het nog niet had weggegooid. Het blik open maken viel ook zwaar tegen: zij had ook de goede blikopener. Hij moest zich zien te behelpen met het overjarige type dat hij van zijn oma had gekregen, toen ze van zijn plannen had gehoord om op zichzelf te gaan wonen.

Hij had het blik nog maar half open toen het rotding het begaf. De honger stimuleerde zijn vindingrijkheid en hij zocht naar de nijptang in het gereedschapstasje onder het aanrecht. Met behulp van dat ding boog hij het deksel omhoog zodat de inhoud van het blik eruit kon raken. Het ging nogal onhandig en een scheut tomatensaus maakte de boel nogal glibberig.

Het blik dreigde uit zijn handen te vallen en intuitief liet hij de nijptang vallen en greep het blik ook met zijn andere hand vast. Hierbij kreeg hij de scherpe rand van het deksel tegen de muis van zijn hand en kreeg een lelijke snee. Hij kon een vloek niet onderdrukken terwijl een beetje bloed in het blik liep.

Gelukkig was hij bij het inpakken de verbanddoos vergeten en kon hij de wond met wat pleisters dichten. Hij besloot wat verband om zijn hand te winden om de boel te verstevigen en kon daarna eindelijk verder met het bereiden van zijn eenvoudige maaltijd.

Het smaakte uiteindelijk nergens naar, maar het stilde in ieder geval zijn ergste honger. Hij liet de boel daarna liggen; eerst maar wat slapen, morgen zou hij de rommel wel weer opruimen.

7
Van lekker uitslapen in zijn eigen bed kwam niks. Al ruim voor 10 uur ging de telefoon. De politie: of hij zich even wilde melden op het bureau Maliebaan. Dat was natuurlijk in verband met de verdwijning van Alice. Het kwam hem heel slecht uit, maar hij kon moeilijk weigeren. En dus nam hij snel een douche en sloeg wat eten in bij de buurtwinkel om de hoek en een nieuwe blikopener.

Na een lekker ontbijtje met een uitsmijter voelde hij zich een stuk beter. Hij nam de bus naar de Maliebaan en was er ruim op tijd. De agent aan de balie vroeg hem even te wachten en wees op de bank in de hal. Eddie vreesde bijna een half uur te moeten wachten, maar al na een paar ogenblikken stond er een politieman in burger voor zijn neus. Eddie kreeg een hand van rechercheur Derksen en werd gevraagd om mee te gaan.

Toen hij aan het bureau zat van Derksen, stak deze gelijk van wal. De politie in Nederland wilde zijn verklaring controleren om het dossier te completeren. Niks om zich druk te maken, volgens Derksen. Maar hij liet toch niet na om te vragen wat er met zijn hand gebeurd was. Wat Eddie om de wond had gedaan, zag er wat vreemd uit.

Eddie legde uit wat er de vorige avond gebeurd was, het had helemaal niets met Frankrijk te maken. De rechercheur knikte begrijpend. Hij wilde toch even kijken en liet een collega opdraven met een verbandtrommeltje. Die haalde Eddie’s vieze pleisters eraf, maakte de wond schoon en plakte er nieuwe pleisters op.

Derksen keek geinteresseerd toe en legde zijn pen neer. Eddie werd bedankt en kon gaan. Bij de deur vroeg hij nog even of hij op de hoogte zou worden gehouden als zijn vriendin ergens zou opduiken. Derksen knikte vriendelijk.

Eddie besloot even naar zijn stamkroeg te gaan. Barman Evert stak zijn hand op toen hij binnenkwam en maakte een beweging van een bier naar binnen slaan. Eddie knikte en al voor hij de bar bereikt had, stond er een pilsje voor hem klaar.

Opschrijven?” vroeg Evert. Eddie knikte, hij was nog niet weg, zou nog wel even blijven rondhangen. Het was wel erg stil, maar niet zo stil als bij hem thuis. Hij veranderde van mening toen Evert begon te zeuren over de rekening van Alice. Of hij die niet kon betalen, voor hem was het immers gemakkelijker om zijn geld van haar terug te krijgen.

Eddie weigerde, waarom zou hij? Evert drong niet aan, maar liep naar het andere einde van de bar en ging de krant lezen. En dus leegde Eddie zijn glas, legde een paar gulden op de bar en zwaaide naar Evert. Die haalde zijn schouders op en terwijl Eddie naar buiten liep, werd zijn glas al omgespoeld.

Misschien was het hoog tijd om een andere plek te gaan kiezen om een biertje te drinken. Hij had nog geen zin om naar huis te gaan en liep naar de kroeg om de hoek, waar hij wel eens naar toe ging om ongestoord alleen te zijn, zonder met iemand te hoeven praten.

Hij kende de barkeeper niet, maar wel de leuke dame aan de tafel met (dag-)bladen. Frederique was een vriendin van Alice, eens waren ze met zijn viertjes naar Bergen aan Zee geweest. Hij met Alice en zij met haar vriend Simon. Lekker naar zee en exposities bezoeken. Het idee was leuk geweest, maar het pakte uiteindelijk vervelend uit.

Frederique keek op van haar Vrij Nederland en gebaarde dat er nog wel een plekje vrij voor hem was. Hij zag dat ze een bijna leeg glas witte wijn had en gebaarde dat hij een nieuw mee zou nemen. Zij stak goedkeurend een duim op.

Toen hij met bier en wijn bij haar tafel kwam, legde zij het blad weg. “Ik dacht dat Alice en jij in Frankrijk waren..?”, vroeg ze. Hij ging zuchtend zitten en vertelde in het kort wat er gebeurd was. Hij vroeg haar of zij wist waar Alice naar toe had kunnen gaan in Frankrijk. Ook Frederique had geen idee, vond het allemaal maar raar.

Ze gebaarde naar de barkeeper. Hij bracht nieuwe glazen en knikte toen Eddie vroeg om twee porties ossenworst. “Nog even iets anders”, zei hij, “Ik heb jullie wel eens met die Alice gezien. Klopt dat? En komt zij zo ook?” Eddie knikte tweemaal, maar zei voordat de barkeeper verder kon gaan: “Ik ga haar rekening hier niet betalen, hoor!”

Deze barman deed niet moeilijk, maar het woord rekening had Eddie aan het denken gezet. Hij moest als een speer naar de bank, had alleen maar Franse francs op zak. Hij bezwoer Frederique niet weg te gaan, liet zijn glas staan en snelde de deur uit. “Ben zo terug!”, riep hij naar de barkeeper.

Het duurde niet lang voordat hij terug was; Frederique zat weer te lezen, zijn glas stond er nog en er stond een schaal met worst en mosterd op de tafel. Ze lieten het zich goed smaken en bestelden nog een rondje. De barman sloeg het hem aangeboden drankje af en wees hen erop dat hij tegen zessen dicht zou gaan. “Om 9 uur ben je weer van harte welkom.”

Toen Frederique haar laatste teug nam, vroeg ze Eddie om met haar mee te gaan. “Ik heb nog een flesje koud staan .“ zei ze met een knipoog. Eddie had geen enkel bezwaar.

8
Het flesje bleek een fles Chardonnay te zijn. Maar onder het motto “wijn na bier brengt plezier” deelde hij de fles met haar. Bij nader inzien vond hij haar nu toch wel veel leuker dan in de begintijd met Alice. Ze had die merkwaardige gewoonte om je constant in de ogen te kijken als ze met je praatte. Hij had altijd het gevoel dat die prachtige blauwe kijkers diep binnen in zijn ziel in zijn donkerste geheimen zat te wroeten.

Nu zat hij erin te verdrinken. Haar manier van praten –alsof ze een geheim met je aan het delen was – voelde nu ook veel minder storend. Van hem hoefde ze echt niet zo zacht te praten, je kreeg bijna het idee dat er iemand achter de deur aan het meeluisteren was en dat zij er eigenlijk niet aan mee wilde werken.

Hij dacht terug aan dat weekend in Wijk aan Zee. Het weer was schitterend, ze waren met twee verliefde stelletjes. Kortom alles was aanwezig voor een heerlijke tijd. Dat Frederique met een gebroken been in een rolstoel zat, was geen punt geweest. Ze duwden haar om de beurt. Maar het ging weer eens mis tussen Alice en hem. Waar het precies fout ging wist hij nog steeds niet, maar er deugde opeens niets meer. Alice beschuldigde hem er bijvoorbeeld van dat hij zo graag de rolstoel wilde duwen. “Je zit haar bijna onder te kwijlen terwijl je in haar blouse kijkt! Ik kots van je!”, beet ze hem toe in bed.

Hij had Frederique echt niet meer geduwd dan de anderen en hij had het niet bedacht dat ze een blouse droeg, die ze dichthield zonder de knoopjes te gebruiken. Terwijl Alice en hij in ijzige stilte naast elkaar een slapeloze nacht doorbrachten, klonk in de kamer naast hun een ritmisch gebonk. Eddie kreeg een vrij helder beeld voor ogen hoe haar in gips verpakte been steeds tegen de bedrand tikte.

De volgende dag had hij de rolstoel niet meer geduwd, bleef een beetje uit ieders buurt. Alice had overdreven hard gelachen op het strand. ’s-Avonds was hij niet met ze meegegaan naar de kroeg, was in de vooravond naar een kleine expositie geweest, had wat met de schilder gepraat en zelfs een biertje met hem gedronken.

De volgende dag waren ze met de trein teruggereisd en hij had kans gezien om in een andere coupee te zitten. Daarna had hij eigenlijk niet veel meer van Frederique en Simon gezien.

Haar manier van praten was nog steeds erg zacht en hij moest wel erg dichtbij zitten om haar te kunnen verstaan. Ze bleken het toch wel heel goed met elkaar te kunnen vinden. Gaande het gesprek merkten ze dat ze heel wat gemeen hadden naast het kennen van Alice. Hij ging steeds meer in haar op en het ging bijna vanzelf dat het gesprek overging in een hartstochtelijke kus.

Oh, Eddie, wist je echt niet dat ik je zo’n lieve schat vind?”, fluisterde ze. Eddie werd er wee van, of was het van de wijn. Hij ging met moeite uit haar armen en ging naar de wc waar hij wat water in zijn gezicht gooide. Wilde hij dit wel, vroeg hij zich af. Toen hij terug kwam, merkte hij dat hij nu heel snel een beslissing moest nemen. Ze had haar kleding wat losser gemaakt en hield haar armen gastvrij gespreid.

9
s-Nachts werd hij wakker, moest nodig naar de wc. Heel even wist hij niet waar hij was, maar het was hem snel duidelijk toen hij Frederique’s hoofd op het kussen naast hem zag.

Het appartement was niet erg groot en hij was al eerder in de badkamer geweest waar het toilet was geplaatst en hij had geen moeite om het terug te vinden. Zelfs niet in het halfduister. Hij besloot alles zo stil mogelijk te doen, haar niet te storen. Hij deed wel het licht aan, maar ging op het toilet zitten.

De beslissing was niet moeilijk geweest om te maken. Terwijl zij al uit haar spijkerbroek stapte, had hij nog zwakjes geprutteld: “En Simon?” Ze had een vies gezicht getrokken: “Zie jij Simon? Of Alice?”, hij had zijn hoofd geschud en haar voorbeeld gevolgd.

Toen hij zijn handen waste, keek hij in de spiegel en zag de enorme zuig-vlek in zijn nek. Nee, he! Wanneer had ze dat gedaan? Het zat nog op een heel vervelende plek ook. Terwijl hij de plek nog aan het bestuderen was, schrok hij op toen zij plotseling haar handen om zijn middel sloeg. Ze volgde zijn blik en lachte: “Die zou voor eeuwig zo moeten blijven zitten! Ik heb er zo mijn best op gedaan.”

Ze had zijn shirt aan gedaan. Eddie keek goedkeurend en kon niet anders dan haar zeggen dat het shirt haar beter stond dan hem. Ze draaide koket in het rond en stapte naar het toilet. Terwijl zij haar behoefte deed, liep Eddie discreet terug naar de slaapkamer. Ze volgde al snel.

Ik heb honger. Jij ook?” Hij knikte, terwijl ze even nadacht. “Ik heb niet veel in huis, maar ik zou uitsmijters kunnen maken.” Eddie zei dat hij niet in zijn blootje wilde eten, Frederique moest even lachen en omvatte zijn ballen. Zij vond het zelf wel wat hebben zei ze, maar ze deed toch een graai in haar kledingkast en gaf hem een ochtendjas. Die was veel te klein, maar ze knikte goedkeurend en gaf hem goedkeurende tik op zijn billen. “Kom op!”

Toen hij eenmaal zat te eten, besefte hij dat hij echt trek had. Het smaakte hen beide duidelijk. Hij wilde haar uit dankbaarheid een kus geven, maar had niet in de gaten dat ze haar mond vol met eigeel had. Het droop daardoor over haar kin. Hij wilde het al aflikken, maar ze veegde het af met zijn shirt.

Terwijl hij zijn laatste hap zat weg te slikken, zat zij met een hand onder de ochtendjas. “Kan je nog een keer?”, lachte ze: “Het lijkt er wel op.” De borden bleven staan en ze waren al naakt voordat ze terug op bed waren.
De volgende ochtend werd hij wakker met een stijve. Geen wonder met wat ze met hem aan het doen was! Ze lachte lief terwijl hij – nog slaperig – met een tepel begon te spelen. De telefoon haalde hen uit een roes. Hij hoopte dat ze hem niet zou oppakken, maar ze deed het toch. Het bleek Simon te zijn.

Terwijl Eddie zag dat haar tepel stijf werd, begon het gesprek hem te verontrusten. “Wanneer? Sta je nu op het station? Hier? Oh, Rotterdam. Wanneer kan je hier zijn? Oh…, ik kom je met de fiets oppikken.” Ze sloot af met kus-geluiden.

Oh Eddie, het spijt me enorm, maar je moet nu echt heel snel weg zijn.” Eddie zei niks, snoof een keer toen ze nog toevoegde “Er is geen tijd om te douchen of te ontbijten. Ik heb er geen moeite mee om met jou te vrijen, maar ik heb nu geen zin in gedonder. Echt ermee zitten als Simon ontdekt dat we een fijne nacht hadden, doe ik niet.”

Eddie vroeg Frederique wat ze bedoelde. Het bleek dat ze zich niet schuldig hoefde te voelen, omdat Simon het een aantal keer met Alice had gedaan toen zij in het ziekenhuis lag. Eddie dacht na en realiseerde zich dat hij in die tijd weer eens ruzie had gehad met Alice. Het was dus heel goed mogelijk. Bovendien had Frederique geen reden om te liegen.

Terwijl hij op de bus stond te wachten, fietste ze voorbij. Ze maakte een kushandje en een beweging van “we bellen”. Eddie zwaaide terug en knikte.
De buschauffeur keek hem wat bevreemd aan toen hij instapte. Hij zag er enigszins verfomfaaid uit, dat begreep hij heus wel. Toen hij ging zitten, rook hij Frederique en zijn eigen zweet. Een stemmetje in zijn achterhoofd zei: “Domme Eddie”. Het kon hem niet schelen: iedereen leek misbruik te maken van iedereen. Thuis maar gauw douchen!

10
De maandag erop was de zuig-vlek bijna niet meer te zien. Eddie besloot om maar terug naar kantoor te gaan. Om al zijn vakantiedagen in de kroeg door te brengen, vond hij niet zo’n fijn idee. Misschien kwamen de verlofdagen later nog eens van pas. De manager was blij met zijn vroege terugkeer. Er waren een paar collega’s ziek geworden, dus een extra kracht was zeer welkom voor de gemeente.

Om vervelende vragen te voorkomen vertelde hij op zijn werk dat Alice en hij terug hadden moeten komen omdat een familielid van haar was overleden. Hij had geen zin in geroddel en gelach achter zijn rug. Zijn verklaring was zeer afdoende: zeer kies ging niemand er verder op door.
Een paar dagen later kreeg hij de huisbaas van Alice aan de telefoon. De man eiste op hoge toon dat Eddie voor haar zou betalen; er was al een huurachterstand van een half jaar! Eddie koos voor de tegenaanval. Hij vroeg op dezelfde toon hoe de man het in zijn hoofd had gekregen om Eddie hier te bellen. Hoe kwam hij aan dit nummer? Eddie wist het antwoord wel: de huisbaas was in het appartement van Alice geweest en had in haar agenda of telefoongids geneusd.

Eddie ging door. Hij had vast wel gehoord wie hij nu eigenlijk gebeld had. Eddie was medewerker van de afdeling “Bouwvoorschriften”. Wilde de man graag een afspraak maken voor een inspectie van zijn onroerend goed op brandveiligheid en het voldaan hebben aan de voorschriften? Eddie voegde er nog aan toe dat hij niks meer met Alice te maken wilde hebben.

De huisbaas koos eieren voor zijn geld, stelde dat hij ook alleen maar was afgegaan op wat hij van anderen gehoord had. Hij zou Eddie niet meer lastig vallen, maar misschien kon Eddie hem een ander telefoonnummer geven dat hij kon gebruiken om met Alice in contact te komen. Dat kon Eddie niet en de man gooide de hoorn zonder te groeten op de haak.

Een week later belde hij weer. De man was laaiend! Het appartement bleek de nacht ervoor te zijn leeggehaald. Eddie snapte de woede van de man wel, vertelde dat Alice overal in de stad schulden had, ook aan Eddie zelf, maar dat hij geen idee had waar hij haar kon bereiken. Dit kwam voor hem ook als een grote verrassing. Misschien moest de huisbaas gewoon aangifte doen bij de politie. “Dat heb ik allang gedaan! Bedankt voor je goede raad!”, schreeuwde hij en gooide de hoorn opnieuw op de haak.

s-Avonds ging Eddie naar haar appartement, misschien dat iemand van de buren iets meer wist. Hij kende de jongen die op dezelfde etage woonde, Lucas. Had wel eens een biertje met hem gedronken. Lucas bleek thuis te zijn en liet hem binnen. Gastvrij bood hij Eddie een flesje bier aan en nam er zelf ook eentje. Hij bleek de verhuizing half gezien te hebben. Een man en twee vrouwen hadden de boel leeg gehaald. Lucas had de man aangesproken, maar hij bleek een onverstaanbaar soort Frans te praten volgens Lucas. “Frans was nooit zo’n grote vriend van mij!”, lachte hij.
Ze hadden alle drie een overall gedragen; hij dacht even Alice te herkennen, maar wist dat echt niet zeker.

Ze droegen alles in een wit bestelbusje met een Frans kenteken en waren binnen een uur klaar met sjouwen. De sleutel hadden ze bij Lucas door de brievenbus gegooid. Eddie begon over de schulden van Alice. Lucas was zo slim geweest om haar niets te lenen. “Niet zo moeilijk. Ik heb gewoon niks.”

Hij had haar een hele lieve meid gevonden, ze was een paar keer bij hem blijven slapen. Hij had gehoopt dat het meer zou worden, vooral toen ze eens huilend bij hem was gekomen met het verhaal dat het uit was met Eddie. Maar een paar dagen later had Lucas Eddie ’s-morgens uit haar appartement zien komen. Toen wist hij wel beter.

De volgende dag belde Eddie naar de politie. Rechercheur Derksen bleek al op de hoogte te zijn van het weghalen van haar spullen. Eddie werd bedankt en als het nodig was zou men contact met hem opnemen.

11
Een paar weken later, op een vrijdagmiddag, was Eddie in zijn oude stamkroeg. Hij had zich door een stel collega’s laten overhalen om de week zoals zij dat noemden, gepast af te sluiten. Barman Evert deed wat stug, maar het leek inmiddels wel tot hem doorgedrongen te zijn dat Eddie niks meer van doen had met Alice.

Dat er wat veranderd was, bleek toen Eddie bij elke bestelling gelijk moest afrekenen. Dat was nooit zo geweest en zijn collega’s hoefden dat niet te doen. Een beetje flauw van Evert, maar Eddie betaalde zonder mankeren terwijl hij er een raar gezicht bij trok. De barman vertrok geen spier.

Op een gegeven moment meende Eddie Frederique te horen. Hij stond op om het beter te kunnen zien. Zijn oren bedrogen hem niet. Ze zat met wat andere meiden achterin de kroeg en aan hun tafeltje te zien, zaten ze er al even. Het was volgeladen met lege wijnglazen en een paar bierglazen.

Zijn collega’s vroegen hem of er iets aan mankeerde. Eddie vroeg hen even te wachten, hij moest even iets vragen en hij liep met zijn glas in de hand in de richting van Frederique. Zij had hem vrij snel in de gaten, kwam ook overeind en deed een paar passen in zijn richting.

Eddie, lieverd, ben jij er ook?”
Ja, dat heb je goed gezien!”, wilde hij cynisch zeggen, maar het kwam er niet van. Zij zoende hem vol op zijn mond, wat hij niet helemaal had verwacht. De helft van zijn glas belandde op de vloer. De jonge vrouwen aan het tafeltje joelden en scandeerden “Meer, meer, meer!”

Eddie nam Frederique bij haar arm en leidde haar een beetje van de groep vandaan. Op zijn vraag of zij nog iets had gehoord van Alice reageerde zij door met haar hoofd te schudden. Haar rechterhand ging naar Eddie’s gezicht en zij schoof een lok haar achter zijn oor. Hij liet het toe en ze boog zich iets meer naar hem toe.

Ga je straks met me mee? Simon zit ergens in de Ardennen in een survivaltocht. Dus kunnen we morgenvroeg uitslapen.” Ze kuste hem op zijn oor en lachte. Eddie zei haar dat het waarschijnlijk niet zou lukken. Ze fluisterde “Denk er nog even over na, schat. Ik zou het erg fijn vinden.” Hij knikte en ze liepen beide terug naar hun eigen tafeltje.

Zijn collega’s keken hem vragend aan. “Nieuwe vriendin?” “Nee”, zei hij, “een oude bekende”. Er werd hardop gelachen: “Zo oud is ze ook weer niet!” Eddie voelde dat hij rood aanliep en bood aan om een nieuw rondje te halen om van het gezeur af te zijn.

Aan de bar zat Ome Cor en terwijl barman Evert de glazen vulde probeerde de oude man een gesprek met Eddie te beginnen. “Heb je nog iets van je vriendin gehoord?” Eddie ging iets verderop staan: de oude man rook altijd al naar vuile pisbakken, maar sinds hij een stoma had, was de stank echt niet normaal meer.

Ik denk dat je je stoma moet legen Ome Cor en mijn vriendin gaat jou niks aan!” Het klonk wat feller dan Eddie eigenlijk bedoeld had, de man deed niemand kwaad en was altijd de vriendelijkheid zelve. Eddie vulde zijn woorden iets vriendelijker aan: “Nee, ik heb niets meer gehoord. Maar het gaat je eigenlijk niks aan.”

Ome Cor lachte en ontblootte de paar tanden die hij nog in zijn mond had. “Ze was eigenlijk ook een beetje mijn vriendinnetje”. Eddie sloeg de ogen ten hemel, pakte de glazen aan van een hikkende Evert en liep terug naar zijn maten.

Een uurtje later werd hij op zijn schouder getikt door Frederique. Hij stond op en zij zei hem dat ze naar huis ging. Als hij wilde, kwam hij maar, ze had genoeg eten in huis. “Houd je van chili con carne?” Eddie knikte.

Ik heb nog een vraag. Misschien weet jij het. Wat heeft Ome Cor met Alice? Hij zit te bazelen dat ze zijn vriendin is.” Frederique trok een gezicht: “Het schijnt dat Alice hem een paar keer aan zijn gerief heeft geholpen op de wc. Zeker weten doe ik het ook niet.”

Eddie kreeg een acute hoestbui. Frederique ging op zijn rug slaan tot het voorbij was. “Vergeet het, jongen! Wat kan jou het nog schelen. Maar je weet toch nog wel waar ik woon? Hier heb je mijn adres voor de zekerheid en mijn telefoonnummer. Als het moet, kom ik je met de fiets halen.”

Dat is lief van je, maar het zal niet nodig zijn.” Hij wilde haar op beide wangen zoenen, maar ze plantte haar lippen wederom op de zijne. “Doei”, zei ze, “Tot straks misschien.” Ze liep de deur uit op een manier die verried dat ze wist dat ze door menigeen nagekeken werd.

12

Toen hij eenmaal weer bij de anderen zat, kon hij het niet meer opbrengen om te luisteren naar hun oninteressante geklets. Hij had er genoeg van; er moest nodig wat veranderen in zijn leven. Het was maar goed dat hij een fluitje had genomen. Hij sloeg het bier in een keer naar binnen, ramde het glas op tafel en kondigde aan dat hij naar huis ging.

Hahaha, naar huis!” lachten de anderen. “Je gaat natuurlijk naar die mooie meid, snappen wij ook wel”. Een grapjas voegde toe “En dan als een bok op de haverkist! Hihihi!” Eddie stak zijn middelvinger op, pakte zijn jas en verliet het cafe.

Hij was het zo ongelooflijk zat allemaal, een leeg blikje cola moest het ontgelden. Hij schopte het door de straat, keek niet waar hij liep. Het maakte niet veel uit, het was erg rustig. Toen het blikje tegen een auto aan ketste, schrok hij zo’n beetje wakker. Oeps, het was een politiewagen. Een raampje ging open, Eddie deed alsof hij had aangetikt, een vette walm bereikte zijn neus. De twee agenten zaten een broodje shoarma te eten.

Is er wat?” vroeg de man achter het stuur met volle mond. Eddie knikte: “Mijn vriendin is spoorloos verdwenen in Frankrijk en mijn fiets is gestolen.” De man slikte de hap door en keek naar het restant van zijn lekkernij. “Het lijkt me het beste als je morgen even naar het bureau aan de Maliebaan gaat. Wij kunnen hier niks voor je doen.”

Fijn”, zei Eddie. De andere agent voegde nog toe: “Beter als je nu naar huis gaat, knul,” en hij nam een nieuwe hap. Eddie keek omlaag, het blikje lag half onder de auto. Hij knikte en liep verder.

Ja, er moest nodig wat veranderen in zijn leven.





Juni 1981
13
Ontbijt zag er nog altijd prima uit, hier in Abbeville. De croissantjes waren warm in het mandje en de kan koffie was wel heel erg uitnodigend. Terwijl hij inschonk, kwam Loes ook de ontbijtzaal binnen. “Zaal” was een beetje een groot woord voor de grote kamer waar 5 tafeltjes en 20 stoelen in gemanoeuvreerd waren. Zijn vrouw zag er weer prachtig uit; hij was altijd zo trots op haar als ze zo binnen schreed.

Jammer dat ze nu zo boos naar hem keek, daar was toch echt geen aanleiding voor. Hij was bereid om voor haar de hele wereld over te zwemmen als ze dat wilde of met de beste boksers ter wereld te vechten en zich in elkaar te laten meppen als dat haar zou plezieren.

Ze had zijn hele leven ondersteboven gekeerd, hij genoot elke dag weer. Door haar had hij weer vertrouwen in zichzelf gekregen. Dat had zich vertaald in een prima baan bij de gemeente Utrecht. Sous-chef Burgerzaken was niet niks; hij had de eindverantwoordelijkheid van de Welstandscommissie gekregen. De contacten, die hij met bedrijven had gekregen, zouden straks helpen bij de verbouwing.

Als ze echt kinderen wilden, moest er wat aan het huis gesleuteld worden, hoe mooi het ook was. Zonder de vader van Loes hadden ze nooit de financiering van het huis in Huis ter Heide rondgekregen. Misschien hadden ze zelfs geen woonvergunning gekregen: zo gemakkelijk kwam je Huis ter Heide niet in.

Al met al had hij donders veel geluk gehad om zijn pronkjuweel te ontmoeten. De stap om te vragen om overgeplaatst te worden naar Utrecht was een hele goede geweest. Hij was meteen voor haar gevallen toen hij haar op de afdeling zag zitten. Het was voor hem nog steeds een raadsel dat ze iets in hem had gezien.

Hij schonk koffie voor haar in, terwijl ze aanschoof. “Wat is er mijn lief? Heb je niet goed geslapen?” Ze schudde haar hoofd: “Ik ben die dromen van jou over die teef goed zat! Je was weer aan het mompelen en aan het fietsen. Hoe denk je dat dat voelt voor mij, Eddie? Na heerlijk vrijen met jou in dat hemelbed, voelt het gewoon alsof je niks anders doet dan aan haar denken.”

Hij wist zelf helemaal nergens van, excuses hielpen niet. “We blijven een dag langer. Ik wil met jou eens kijken wat er gebeurd kan zijn met die zogenaamde verdwijning. Misschien dat die stomme dromen dan ophouden. Ik zou bijna om een kamer voor mezelf gaan vragen!”

14

Het hotelletje waar hij ooit met Alice sliep, was gauw gevonden. Hij wist de straatnaam nog precies, wonderlijk hoe dit soort details kunnen blijven hangen. Alleen was het hotel geen hotel meer, er zat nu een fietsenwinkel. Blijkbaar was de opslagruimte er boven. In de fietsenwinkel vroeg Eddie nog naar de hotelier, maar de jongen, die aan een zadel zat te prutsen, had geen idee waar de man gebleven was. Met pensioen dacht hij. Hij had op zijn baas kunnen wachten, maar omdat Eddie daar ook niet veel van verwachtte, waren ze maar weg gereden. Precies volgens de fietsroute die Eddie en Alice destijds genomen hadden.

Eddie reed en hij was het eigenlijk al vrij gauw zat. Al die rotondes met zijwegen die blijkbaar naar nergens gingen. Ooit had hij met de fiets overal en nergens gekeken; met de auto sloeg je sneller iets over, dacht hij. Bijna gedachteloos liet hij het stuur bijna rond gaan bij alweer zo'n ding.

Daar! Links!”, riep Loes. Het was al te laat, hij was de rotonde al bijna voorbij. “Dat gaat volgens mij naar een industrie-terrein; heeft geen zin om daar naar toe te rijden”, reageerde hij en reed verder. Zijn vrouw drong aan: “Keer om en probeer het toch maar. Als het aan jou ligt, hoeven we blijkbaar nergens naar te kijken.”

Hij kon moeilijk keren op de smalle weg met aan beide kanten een sloot en reed naar de volgende rotonde, maakte daar een U-bocht en reed naar de vorige rotonde. Er stond een bord bij de door Loes aangewezen weg. Een half zwart fabriekje met er onder “St.Jean sur ...”, de rest van het bord was door kogelgaten onleesbaar geworden.

Hij reed de weg af en na een bocht was een gehucht zichtbaar; het waren niet meer dan een paar huizen, maar wonderwel was er ook een cafe. Eddie schudde zijn hoofd: “Alles leuk en aardig; knap dat je dit aanvoelde, maar wat ga ik hier vragen?”

Loes zuchtte: “Kijk eens wat ik hier heb.” Ze haalde een foto van Alice uit haar tas. “Ik had voor de vakantie al zo'n voorgevoel dat het hier op zou neer komen. Ik was zo vrij om in je foto-doos te sneupen en deze foto mee te nemen.” Was die doos toch weer eens ergens goed voor. Hij was te lui om foto's in albums te plakken; kreeg er regelmatig eentje op verjaardagen of met Sinterklaas,maar deed daar nooit iets mee. Foto's verdwenen altijd in de doos.

Achter de bar stond een jonge vent. Om het ijs wat te breken, bestelden ze een koffie en gingen aan een tafeltje zitten. Behalve een oude man met een pet op, die aan de bar een pastis zat te drinken, waren er geen andere klanten.

Eddie nam een slok koffie, pakte de foto en liep terug naar de bar. De jongeman luisterde geinteresseerd naar Eddie en keek uitgebreid naar de foto. Hij schudde zijn hoofd, had het meisje op de foto nog nooit gezien. Maar hij voegde er wel aan toe dat hij hier nog maar een jaar werkte, het had dus niet eens gekund ook al was ze hier geweest.

Hij liet de foto ook aan de oude man met de pet zien. Die stak een heel verhaal af tegen de barman, maar het ging duidelijk niet over Alice. De jongeman raadde Eddie aan om even een uurtje te wachten tot zijn dienst werd overgenomen door een collega. Die werkte hier al eeuwenlang. De oude man knikte en bromde iets onverstaanbaars. Achter zich hoorde hij Loes ook opstaan en naar de andere kant van de gelagkamer lopen. Nu zag hij het ook! Er hing een flinke rij foto's, sommige zagen er gebleekt uit alsof ze hier al decennia-lang hingen.

Kijk hier eens!”, riep Loes, “zelfs foto's uit 1978.” Ze waren niet allemaal even duidelijk. Allebei bleven ze geconcentreerd naar de foto's kijken. Op sommige stonden maar een paar mensen, op andere waren feesten te zien. Op een foto van een feest was iemand zichtbaar die er duidelijk niet bij hoorde. Iedereen hing aan elkaar en om elkaars nek, maar een blonde dame zat achterin aan een tafeltje met haar rug tegen de muur naar het tafereel voor zich te kijken.

Is dat haar niet?”, vroeg Loes. Hij keek eens goed, het gezicht had wel wat weg van Alice, maar hij kon zich niet herinneren dat zij dit soort kleding ooit droeg. Een witte of gele jurk met bloemen met een vest er over. “Ik weet niet, denk het niet. Of ze moet kleding geleend hebben.

De oude man kwam aangeschuifeld op zijn pantoffels, Eddie rook pastis al van verre. Hij wees op de foto.
De oude baas keek eens en zei: “Ah, c'est Marie-Helene! Belle fille.”

Het was niet echt waar ze op zaten te wachten, maar in ieder geval hadden ze al zekerheid dat ze mis zaten. Ze gingen maar terug naar hun koffie, die al half lauw was. Na een korte discussie besloten ze om op de collega van de barman te wachten.

15

Ze zaten aan hun derde kop koffie toen de aflossing van de bar-wacht arriveerde. De wat oudere man had wel wat weg van de eerste barman; was vast familie. De twee hadden een kort onder-onsje, de jonge man wees naar Eddie en Loes. Er werd wat geknikt, de kas werd snel ingekeken en met een klap op elkaars schouders namen de barlieden afscheid van elkaar.

De nieuwe barman keek vriendelijk in hun richting; zo te zien had hij wel even tijd voor hen. Dus liepen Eddie en Loes naar de bar, groetten beleefd en bestelden voor de verandering een biertje. Een “blonde” voor Loes en een “brune” voor Eddie. Terwijl er getapt werd, stelde Eddie zijn vragen. 

Achter de bar werd begrijpend en belangstellend geknikt. Hij wist het nog heel goed; een jaar of drie geleden was er hier een blonde jonge vrouw, het zou heel goed kunnen dat ze uit Nederland kwam. Haar Frans was best redelijk geweest, goed genoeg om een discussie met hem te voeren over het telefoontje wat ze wilde plegen.

Ze stond er op om de telefoon achter de bar te gebruiken en hij stond het niet toe. De munt-telefoon voor de clientele hing achterin. Hij wees naar de telefoon aan de muur naast de sigarettenautomaat. Ze was erg geirriteerd geweest, moest een bankbiljet aanbreken, wat al zijn wisselgeld zou kosten.
Terwijl ze het telefoongesprek aan het voeren was, deed ze erg nerveus en keek geregeld naar de deur alsof daar een soort monster uit zou kunnen komen. Ondanks alles moest Eddie hardop lachen: “Dat monster zou ik zijn geweest!”

Na het telefoongesprek was de jongedame naar buiten gegaan, ging op het bankje voor het cafe zitten, naast de zwaarbeladen fiets die ze tegen de muur had gezet. Hij wist het nog precies, omdat klant Henri hem vroeg wat ze daar aan het doen was. Later had hij zelf nog eens gekeken hoe het met haar was, of ze misschien iets wilde gebruiken. Maar toen was ze met fiets en al verdwenen.

Eddie en Loes bedankten de barman en gingen terug aan hun tafeltje zitten. Ze wisten nu eigenlijk wel genoeg. Alice had hier een afspraak zitten maken met iemand. Daar was ze uiteindelijk naar toe gefiets, of ze was misschien zelfs wel opgehaald.

In ieder geval was het wel duidelijk dat ze niet verdwenen was omdat er een ongeluk of iets dergelijks was gebeurd. Een kidnapper ga je natuurlijk ook niet zelf bellen, dus zoiets leek ook uitgesloten.

Gerust gesteld?”, vroeg Loes. Hij knikte, voelde zich het lachertje van de eeuw. Het was of hij ergens achterin zijn hoofd een bekende stem hoorde: “Jankert!” Hij schudde het van zich af, zo slecht is het niet om je zorgen over iemand te maken.

Al die tijd heeft dit aan me zitten knagen, terwijl die trut me opzettelijk heeft laten zitten. Als ze het fatsoen had kunnen opbrengen om me te laten weten dat ze niet met me verder wilde, had ik nooit met die onzekerheid gezeten. Waarom zogenaamd met me op vakantie te willen gaan terwijl ze al die tijd al wist dat ze weg zou gaan? Ik snap dat echt niet. Zou het alleen maar om het geld zijn geweest? Tot het moment dat ze verdween, betaalde ik alle rekeningen. Ik voel me behoorlijk gebruikt. Bah!”

Loes boog zich naar hem over en kuste hem: “Je bent een schat, eigenlijk moet ik blij zijn dat ze je gedumpt heeft, anders had ik je nooit ontmoet. En ik wil je nooit meer kwijt. Kom op, we drinken dit op en gaan vanavond lekker uit eten in Abbeville. Morgen is er weer een dag en dan gaan we verder naar het zuiden.”

16
Augustus 2016
Ondanks dat ze twijfelden over kleiner gaan wonen nu de dochters niet meer thuis woonden, waren ze nog best druk geweest in de tuin deze zomer. En nog was het niet gedaan...

Hij hield het boompje nog eens in de hoogte en keek naar de serre-deuren waarachter Loes stond te kijken. Zijn opzichter.
Met haar vrije hand wees ze een beetje naar links. Hij stapte in de aangewezen richting en ze knikte: daar moest het boompje komen te staan. 

Ze gaf hem een kushand, nam een slok koffie uit de mok die ze voor zich hield en liep verder naar binnen waar hij haar niet meer kon zien.
Hij zette het boompje neer en haalde de spade weer op om een gat te graven. Eddie vond het altijd wel prettig om een tijdje in de tuin te werken. Het was hun trots en het was helemaal hun eigen werk geweest. In al die jaren was er nooit een tuinman aan te pas gekomen.

Tegenwoordig had hij tijd genoeg. Als eigen baas kon je je tijd indelen zoals je wilde. Het was een goed idee geweest om zich vier jaar geleden te laten afvloeien. Het was weliswaar geen gouden handdruk geweest die hij ten afscheid gekregen had, maar Loes en hij beschouwden het bedrag dat hij had meegekregen altijd als “zilveren handdruk”.

Het was genoeg geweest om een BV-tje op te zetten. Inmiddels had hij er drie: zijn werk-maatschappij, een pensioen-BV en een Holding. Loes en de kinderen waren elk voor 15% aandeelhouder en hij had de rest. Het was altijd lachen geblazen als hij weer eens een feestdag bestempelde als vergader-dag.

Jij nog iets voor de rondvraag?”, vroegen zijn dochters Marcella of Nanda dan. “Ja, ik zou graag nog een biertje lusten. Jullie ook nog iets drinken? Of is dat een volgend agenda-punt?”

Het was mooi geweest dat hij zo'n grote kring van mensen kende, opgebouwd in al die jaren bij de gemeente. Inmiddels wist hij natuurlijk alles over procedures en wist ook best veel over architectuur en bouw. Het was perfect geweest om zijn (ver-)bouw-adviesbureau op te zetten.

Het liep nog altijd lekker met de business; hij was er zeker van dat hij zijn bedrijf voor een leuk bedrag zou kunnen verkopen. Misschien volgend jaar al en dan rustig gaan denken waar ze de volgende jaren zouden willen wonen. Daar hadden ze alle tijd voor.

Terwijl hij zo stond te mijmeren, kwam er een enigszins versleten auto aanrijden. Zo eentje die je nooit in hun buurt in Huis ter Heide verwachtte. Het achterportier had een andere kleur groen dan de rest; de auto had duidelijk de beste tijd wel achter de rug.

Hij stopte nog voor hun deur ook; toch niet weer een colporteur, hoopte hij... Hij had daar zo'n hekel aan. Een jongeman met een vaal leren jasje stapte uit en liep richting hun tuinpad. Omdat Eddie half verscholen stond achter de struiken, kon hij niet gezien worden vanaf de weg en hij liet de jongen dan ook duidelijk schrikken toen hij vroeg: “Kom je iets verkopen?”

17

Nee”, zei de jongeman, “Ik kom u alleen maar wat vragen.”
Toch niet of ik graag lees, hoop ik en dan kom je aanzetten met de Wachttoren of zo...”, Eddie wilde eigenlijk doorgaan met zijn klus, het afmaken en dan een kopje koffie drinken met Loes.

De jonge vent moest een beetje lachen. “Nee, ik ben niet bepaald uit die hoek! Mijn naam is Richard Custers en ik ben voor mijn moeder Alice op zoek naar een mijnheer Inthorst, naar Eddie Inthorst.”

Het voelde of Eddie een klap voor zijn hoofd had gekregen. Hij kon geen woord uitbrengen.
Richard Custers ging verder: “Ik ben voor haar op internet gaan zoeken en kwam uiteindelijk hier terecht. Klopt dit adres of is mijnheer Inthorst inmiddels verhuisd?”

Inmiddels was Eddie wat bekomen van de schok. “Eddie Inthorst ben ik zelf, Richard. Hoe is het met je moeder?”
Richard wilde hem een hand geven, maar Eddie deed alsof hij het niet zag. Geen idee of hij ook maar iets met hem te maken zou willen hebben. Hij realiseerde zich dat Loes het hele gebeuren vanachter het raam gadesloeg, hij kon haar vanuit zijn ooghoek zien staan.

Richard liet zijn uitgestoken hand zakken, stopte hem in zijn jaszak. “Mijn moeder is ernstig ziek. Ze wil u een brief schrijven, maar wilde eerst zeker weten of u het was. Ik zal de brief binnenkort komen brengen. Ik hoop dat u hem zult lezen.”

Eddie knikte: “Ik beloof dat ik dat zal doen.”
Mooi”, zei Richard.
Ze stonden een beetje besluiteloos tegenover elkaar, geen idee hoe het verder moest met dit moeizame gesprek.

Uiteindelijk was het Richard die als eerste iets zei: “Nou, dan ga ik nu eerst maar weer eens terug naar haar. Dank u wel.” Hij draaide zich om en liep de tuin uit.

Waar wonen jullie?” wilde Eddie nog weten, riep het over de struiken.
In Bergen op Zoom...”, Eddie hoorde hem in de auto stappen, de motor starten en wegrijden. Eddie liep de tuin uit om hem na te kijken.
Toen hij zich omdraaide zag hij Loes in de deuropening staan. “Wie was dat?”, vroeg ze.

De zoon van Alice”, duidelijker kon hij het niet zeggen.
Tsjesus!”, bracht ze uit, “En die van jou?”
Onmogelijk!”, wist Eddie, “Dan zou hij veel ouder moeten zijn. Ik moet er niet aan denken!”

Hij vertelde aan Loes wat er besproken was en was daar gauw klaar mee. Loes vond dat hij wel even had kunnen informeren om welke ziekte het ging. Eddie wist wel zeker dat dat in de brief zou worden vermeld. Voor de rest was er wat hem betreft niet veel aan de hand.

18
Er gingen dagen voorbij zonder dat hij weer iets hoorde van die Richard. Meer dan een week zelfs. Eddie had soms van die gedachten dat hij het allemaal alleen maar in zijn hoofd had. Het was vast niet echt gebeurd, probeerde hij zich in te prenten. Dat ging vrij gemakkelijk: Loes had het er ook nooit over. Daar was hij best blij om; eigenlijk zou hij het hele gedoe met Alice het liefst helemaal willen vergeten. Wat had het hem opgeleverd?

Niets! Alleen nachtmerries en wat geld dat ze hem terug zou betalen. Dat hij ooit in die beloftes was gestonken... Wat was hij een sukkel geweest in die dagen.

Hij was druk in zijn kantoor, bezig met een lastige klus. Een dakkapel die niet werd geaccepteerd door de Welstandscommissie van de gemeente Bloemendaal. Hij had gemeten en de tekeningen tientallen keren bekeken. Hij had geen idee hoe hij het zou kunnen verbeteren, hij had vrijwel geen idee wat de bezwaren waren. De clienten waren ook niet erg duidelijk in wat ze precies wilden en wat ze gehoord hadden. Hij probeerde via internet wat straten in Bloemendaal op zijn scherm te krijgen en te kijken of hij niet wat voorbeelden van dakkapellen kon vinden.

Er werd aangebeld, Loes was volgens Eddie beneden. Hij had haar niet horen weggaan; ze had anders wel even naar boven geroepen dat ze weg moest. Hij luisterde toch even goed tot hij haar de voordeur hoorde opendoen.

Even later riep ze hem. “Het is voor jou, Ed!” Beneden aangekomen, zag hij meteen dat het die Richard weer was. Hij had een envelop in zijn hand.
Deze moest ik aan u geven, mijnheer.” Het was toch wel een keurige jongen, die Richard. “Ik heb ons adres en telefoonnummer op dit briefje geschreven. Ik weet bijna wel zeker dat mijn moeder daar niet aan gedacht heeft bij het schrijven van haar brief.” Hij gaf hem een opgevouwen velletje papier, A3, slordig afgescheurd, zag Eddie.

Eddie knikte, bedankte Richard. Die raadde hem nog aan om eerst even naar hem te bellen voordat hij wilde komen. “Niet elke dag is een goede dag voor mijn moeder, dat snapt u vast wel.”

Eddie wist wel dat ze ziek was, dus ja dat was wel duidelijk. Richard draaide zich na een kort knikje weer om en liep het tuinpad af. Eddie keek hem kort na, sloot de deur en ging weer naar boven, naar zijn kantoortje. Hij legde de brief en het velletje papier op zijn bureau en keek uit het raam. 

Richard was het tuinpad al af en liep naar zijn oude barrel, die wat verderop stond geparkeerd. Toen de auto uit het gezicht was verdwenen, ging Eddie weer achter zijn bureau zitten en keek naar de brief en het papier.

19

Wat moest hij van je, Ed?” riep Loes van beneden. Hij hoorde haar de trap op komen, maar hij bleef wat besluiteloos voor zich uit kijken. Hij had een keus: hij kon de brief en het papiertje met adres en telefoonnummer gewoon verscheuren en weggooien. Of misschien moest hij dat juist niet doen en zijn kwelgeest van vroeger in de ogen kijken.

Loes kwam binnen in zijn kantoortje en onderkende zijn dilemma. “Ik zou hem lezen”, zei ze, “je kan die brief daarna altijd nog weggooien.” Hij zuchtte, natuurlijk had ze gelijk, maar iets hem hield hem tegen. Een gevoel van weerzin misschien; hij kon alleen maar bitterheid voelen, had eigenlijk helemaal geen zin om die verrotte brief te lezen. Waarom was ze niet gewoon weggebleven uit zijn leven?

Zal ik je alleen laten met die brief? Is dat beter voor je?”, vroeg Loes.
Ach, het maakt eigenlijk ook helemaal niet uit.” Ed haalde zijn schouders op, vermande zichzelf en maakte de envelop open. Het waren maar twee velletjes. Loes keek verwachtingsvol naar hem en ging op zijn bureau zitten. Nu moest hij wel lezen.

Lieve Eddie,

Deze brief werd je gebracht door mijn zoon Richard. Ik weet niet of hij verder wat aan je verteld heeft; ik ga er maar vanuit dat dit niet zo is.
Nu mijn leven op zijn eind loopt, wil ik eindelijk schoon schip maken. Iets wat ik al veel eerder had moeten doen, maar het kwam er niet van. Ik wist niet waar te beginnen en waar te eindigen.Ook deze brief kostte me al veel moeite om te schrijven. Dit is mijn vierde versie en deze moet het dan maar worden.

Allereerst bied ik natuurlijk mijn excuses aan voor de manier waarop ik je heb laten zitten. Dagen heb ik getwijfeld aan onze relatie, maar uiteindelijk – kijkend naar die onverbiddelijke rug terwijl we in de buurt van Abbeville fietsten- heb ik de knoop door gehakt.

Ik denk dat we elkaar uiteindelijk het leven zuur hadden gemaakt. Jij in je kleinburgerlijkheid en ik die niet zonder vrijheid kan. Je had me verstikt in je liefde, delen kan je niet. En ik heb altijd meer aandacht nodig gehad dan wat 1 man me kan bieden.

Toen ik onderweg in een dorp vanaf onze weg in een zijstraat een cafeetje zag, ben ik daar naartoe gefietst, heb mijn fiets achter het gebouw gezet en heb een koffie besteld. Toen ik eenmaal op adem was gekomen, heb ik naar Jean en Marie gebeld. Zij wonen op een boerderij niet ver van Abbeville vandaan. Ik heb ze leren kennen toen ik als 17-jarige op werkweek van school in hun boerderij werd geplaatst. Mijn klasgenoot was wegens ziekte niet meegegaan. De meeste tijd van die week heb ik in hun bed doorgebracht en zeker niet tegen mijn zin!

Jean heeft me met zijn bestelbusje gehaald, fiets achterin gelegd en ik ben naast hem in de cabine gaan zitten. Onderweg kwamen we je tegen; ik keek de andere kant op, wat niet eens hoefde: je had geen oog voor auto’s, keek naast de weg.

Jean en Marie waren blij me weer te zien, samen hadden we onvergetelijke seks, kwamen soms dagen het bed niet uit en jij was volkomen uit mijn gedachten verdwenen. Jean is zo’n heerlijke man, zijn sperma is wel lekker terwijl dat van jou echt vies is.

We hebben mijn spullen na een paar dagen weggehaald uit Utrecht en ik ben zo’n zes maanden bij ze gebleven. Ik hield het huis schoon, paste op het kind en kookte meestal.

Na een tijd werd het duidelijk dat er financiele problemen waren; er werd druk op me gezet om een baantje te gaan zoeken. Ik werd depressief en besloot om weg te gaan. Ik heb ze vaarwel gekust, het meeste van mijn spullen daar gelaten en ben naar Nederland gaan liften.

De eerste auto bracht me in Belgie op een parkeerplaats bij een truckerscafe. Daar kreeg ik een lift van een hele knappe vrachtwagenchauffeur, Ruud. Het bleek een fantastische man te zijn en ik ben met hem meegegaan.

Hij woonde alleen, was gescheiden. Ik ben gebleven, we zijn getrouwd, ik kreeg Richard – de knappe jongen die je de brief bracht – en was gelukkig. Vijf jaar geleden is Ruud verongelukt: het was glad en zijn vrachtwagen kantelde. Hij is zelf aan de gang gegaan en is onder zijn eigen wagen terechtgekomen.

Sindsdien woon ik alleen met Richard, in ons huisje in Bergen op Zoom. Soms moest ik aan je denken, zocht dan wel eens in telefoongidsen en later op de computer. Een aantal keren vond ik iemand die jou zou kunnen zijn. Ik twijfelde dan, maar liet het erbij.

Een paar jaar geleden bleek ik kanker te hebben, ik heb ertegen gevochten, maar het is me nu wel duidelijk dat het binnenkort afgelopen is.
Graag zou ik je nog een keer zien, nog eens proberen uit te leggen waarom ik zo gehandeld heb. Ik snap dat het niet gemakkelijk zal zijn voor jou en mij, maar ik wil het proberen. Voor jouw begrip en voor mijn zielerust.

Liefs,
Alice Custers

Toen hij klaar was met lezen, gaf hij de brief aan Loes. Ze was sneller klaar dan hij. “En nog een trap na...”, reageerde ze. “Ik ga koffie zetten, wil je ook?” Hij knikte en ze liep hoofdschuddend zijn kantoortje uit.

20

Toen Loes weer zijn kantoortje binnenkwam, met in elke hand een mok koffie, zat hij nog steeds achter zijn bureau. Voor zich lag de brief en ernaast het papiertje met het adres en het telefoonnummer. “Nu verwacht ze zeker dat ik als een gedresseerd hondje kom aanhollen”, zei hij in gedachten terwijl hij zijn mok aan nam en het naast het papier zette. “Maar aan de andere kant...een keer kijken en dan goed beseffen dat alles voorbij is en wat een egoistische tuttebel het is... Misschien heb ik dat nodig.” Hij haalde zijn hand door zijn haar; het was duidelijk dat hij opnieuw met zichzelf overhoop lag.

Ik schaam me tegenover jou en tegenover mezelf dat ik ooit iets had met zo iemand. Misschien zegt het ook wat over mezelf. Ik ben gewoon een sukkel of een masochist of zo.” Hij keek somber naar zijn koffie.

Ach”, Loes probeerde hem op te fleuren, “zonder haar had ik je waarschijnlijk nooit ontmoet. Misschien moet ik haar zelfs dankbaar zijn dat ze je zo liet zitten.”

Ik had je liever ontmoet zonder door die ellende met haar te gaan. Ik had liever wat extra tijd met jou gehad”, hij was moeilijk uit zijn donkere bui te halen.

Ik weet wat jij nodig hebt”, zei Loes en stak haar hand uit. “Vergeet die koffie en vergeet haar; ik wil dat je met me naar bed gaat. Ik ga er voor zorgen dat je haar in ieder geval voor even vergeet. Kom!”

Hij stond op van zijn bureau-stoel en pakte zijn mok. “Die gaat wel mee! Je hebt het immers met liefde gezet!”
Loes lachte “En met koffie en water...” Hij lachte mee, een beetje harder dan nodig was, dacht hij zelf.

21

Een paar dagen later lagen de brief en het papiertje nog steeds op zijn bureau. Een beetje in een hoekje, dat wel. Loes kon toch niet laten om er wat over te zeggen toen ze dit opmerkte.

Ik was de planten water aan het geven en dacht dat ik net zo goed die arme verdrogende plantjes in je kantoor wat kon geven. Ik was toch bezig. Ik zag dat je die brief daar nog steeds hebt liggen. Weet je nu wel wat je gaat doen?” Ze gaf hem zijn koffie in de woonkamer.

Hij knikte: “Het voornaamste voor mij was dat ik niet als een hondje naar haar toe zou hollen op het moment dat ze een signaal gaf. Ik ben van plan om die Richard over een tijdje te bellen en dan een afspraak te maken voor over een week of zo. Op die manier maak ik het duidelijk genoeg, lijkt me. Maar dat bellen zou ik eigenlijk nu ook wel kunnen doen.”

Hij voegde de daad bij het woord en ging meteen naar boven, naar zijn kantoor. Toen hij een paar minuten later terug kwam, knikte hij. “De afspraak is gemaakt. Ik ga overmorgen naar Bergen op Zoom. Echt lang wachten kan ik niet volgens Richard. Het lijkt er op dat het eerder een kwestie is van weken dan van maanden. Ik kan ook heel laf wachten tot het niet meer kan, maar het lijkt me beter dat ik dit echt op een goede manier afsluit. Ik wil geen schuldgevoel bij mezelf gaan kweken. Zo van “had ik nu toch maar even dat bezoek gedaan”. Daar heb je niks aan.”

Loes knikte begrijpend. “Dus het is echt een aflopende zaak. Dat is wel erg triest, zeker voor die Richard. Die heeft straks niemand meer. Maar dat is natuurlijk niet ons probleem. Je kan beter je koffie opdrinken voordat ze koud is. En dan heb ik nog een bakkie voor je. Ga je zo weer werken of ga je mee de stad in? Ik wil wat nieuws kopen.”

Uiteindelijk kwam het er op neer dat hij met zijn tweede kop koffie van die dag naar zijn kantoortje verdween. Hij had de brief opgevouwen en in een la gestopt en het papiertje er bovenop gelegd. Hij had de la gesloten en wat tekeningen op zijn bureau gelegd. Tekeningen voor een serre. Zag er leuk uit, zou misschien ook iets voor Loes en hem zijn.

22

Ben je niet veel te vroeg?”, Loes keek verwonderd naar de klok, “Je doet er toch geen twee uur over om daar naar toe te rijden?”
Hij schudde zijn hoofd. “Ik weet dat het wat vroeg is, maar ik ga het rustig aan doen en vergeet niet dat een ambtenaar nooit te laat is.” Hij lachte alsof het de beste grap ooit was. “Ja, dat raak je nooit kwijt, ook niet nadat je al jaren geen ambtenaar meer bent.”

Ik hoef je dus niet te bezweren, dat je voorzichtig aan moet doen”, Loes lachte met Eddie mee. “Maar serieus...als je na afloop teruggaat, doe het dan alsjeblieft net zo rustig aan als op de heenweg. Misschien gaat het je toch meer doen, dan je denkt.”

Hij trok een gezicht alsof hij iets vies rook, maar knikte toch instemmend.

23

Onderweg besloot hij om inderdaad geen haast te maken. Eddie deed de radio aan, maar was het gebabbel van de dj en zijn side-kick snel zat. In de d-speler zat een cd, Greatest Hits of Fleetwood Mac, zeker door Loes er in gedaan. Hij luisterde een liedje af, maar was er niet voor in de stemming en zette de cd-speler uit. Hij hing bijna een half uur achter een vrachtwagen uit Litouwen. Toen die een afslag nam, zocht hij een andere op. Deze Nederlandse was wat saaier, Eddie vond het minder leuk, omdat je alles wat er achter op het ding stond, gewoon kon lezen en begrijpen. Hij haalde in en vond er eentje uit Polen.

Bij Breda ging deze richting Belgie en besloot Eddie om verder maar alleen door te sukkelen naar Bergen op Zoom. Het was nu niet erg druk meer op de weg en hij kon zijn gedachtengang niet meer stoppen. Oude herinneringen, die hij al die jaren uit zijn hoofd had gezet, kwamen zich opdringen. Het maakte hem triest; hij voelde zich opnieuw een sukkel.

Zoals toen ze hem op een feest met voor hem wildvreemde mensen alleen liet en de hele avond met een of andere man ging staan praten. Hij had er na een minuut of tien tabak van gehad en was naar de kroeg gegaan. De volgende dag was ze kwaad geweest...dat hij haar zo maar zonder iets te zeggen alleen had gelaten.

Het was weer eens uit geweest tussen hen. Hij had dat zo moeten laten natuurlijk, maar sukkel die hij was, had hij het opnieuw met haar aangelegd.
Of die keer toen hij een paar dagen weg was geweest en hij haar aantrof met twee enorme zuigvlekken in haar nek. Van Frederique had hij gehoord dat ze samen met twee Engelsen waren wezen stappen. Frederique was vroeg weggegaan, maar Alice was in de kroeg blijven hangen.

Hij had niks gezegd en dat had haar al woest gemaakt; er was niets gebeurd volgens haar. De volgende zaterdag was er weer eens een feest en Eddie had er een oude vriendin getroffen. Voor de verandering had hij Alice Alice gelaten en uitgebreid met het meisje gepraat. Babs heette ze of zo. Ze was verdrietig geweest, haar moeder was de week ervoor overleden en ze had na lang aarzelen toch besloten om naar dit feest te gaan. Na een paar drankjes was Babs nog meer verdrietig en hing om zijn nek, af en toe huilend. Ze had hem gezoend en hij had terug gezoend.

Tja, waarom? Sympathie tonen? Achteraf gezien was het wel een leuke meid geweest en hij had zelf ook een beetje teveel gedronken. Uiteindelijk had hij ervoor gezorgd dat ze in een taxi naar huis gereden werd.

Alice was woest geweest, zei dat hij haar had vernederd in aanwezigheid van al die mensen. Aan het eind van het liedje hadden ze het maar weer uitgemaakt, maar twee weken later had ze weer met hem aangepapt en hij was slap genoeg geweest om het maar weer te laten gebeuren. Was het alleen maar voor de sex geweest of had ze ooit om hem gegeven? Van zichzelf wist hij dat hij echt om Alice had gegeven, aan een toekomst met haar had hij niet gedacht. Maar in die tijd speelde de toekomst nooit een rol.

Een auto naast hem kwam akelig dichtbij en er werd hevig getoeterd. Hij was in gedachten een beetje van zijn lijn afgeweken en zat bijna op de linkse rijstrook. Hij schrok hevig, stuurde naar rechts en besloot om Fleetwood Mac nog maar een kans te geven. De afslag naar Bergen op Zoom zat er aan te komen.

24
Go your own way!” Eddie had lekker mee zitten zingen met de song, maar hij merkte dat hij de tekst ter harte had genomen. Hij zette de muziek af en de auto aan de kant van de weg. Hij was in een of ander industriekwartier terecht gekomen. Ergens moest hij van de route zijn afgeweken, die hij zo keurig had geprint.

Hij nam het stratenboek uit het dashboardkastje en keek op de plattegrond van Bergen op Zoom. De stad was er wat bekaaid van af gekomen, er stond alleen maar een kaartje van de binnenstad in zijn boek. Eens moest hij toch maar een navigatie-systeem kopen. Dit soort situaties vond hij maar niks.
Hij besloot om toch door te rijden op deze weg en vond verderop een benzinestation. Het zag er wat verlaten uit, maar Eddie zette zijn auto toch maar zo weg dat een eventuele klant er geen last van zou hebben. Vlak naast de stofzuiger en de bandenpomp.

Voor het gebouwtje met winkeltje en kassa stond een drietal zinken emmers met wat verflenste bloemen. Hij dacht er even over na om een bosje te kopen, maar besloot om het niet te doen. Hij zou net zo goed een bos prei of zoiets kunnen geven; zo slecht zagen ze er uit. Bovendien, wat voor reden had hij om bloemen mee te nemen.

Hij liep naar binnen, de dranger stond zo strak afgesteld dat hij echt moest duwen om de deur open te krijgen. Er was maar een kassa. De oudere mevrouw achter die kassa had hem zien twijfelen bij de bloemen. “Die bloemen hebben inderdaad hun beste tijd gehad. Als u een half uurtje wacht, heb ik nieuwe. Ik verwacht de leverancier elk moment.”

Eddie bedankte vriendelijk maar besloot toch wat goodwill te “kopen”, pakte een marsreep uit het schap en legde die op de toonbank. Op zijn verzoek om hem wegwijs te maken in Bergen op Zoom reageerde ze enthousiast. Ze haalde een kaart tevoorschijn en tekende voor hem uit hoe hij moest rijden. Het leek eigenlijk helemaal niet zo moeilijk, maar ze nam er alle tijd voor. Waarschijnlijk was ze al blij geweest dat ze eindelijk iemand bij haar kassa kreeg. Hij bedankte haar uitvoerig en ze namen afscheid als waren ze oude bekenden.

Het was inderdaad niet moeilijk om de juiste weg te nemen. Hij vroeg zich af waar hij fout was gegaan. De wijk waar Alice woonde was een typische volkswijk, rijtjeshuizen met veel geparkeerde auto's en piepkleine voortuintjes. Sommige straten hadden restanten van iets feestelijks. Het meeste was aardig verkleurd; je kon nog maar net zien dat het bijvoorbeeld oranje was geweest. Was het in verband met voetbal geweest? Dat WK was toch wel erg lang geleden. Misschien waren er straatfeesten geweest, of een braderie of zo.

De verflenste versiering hing ook in de straat waar Alice woonde. Hij parkeerde aan de andere kant van de straat, schuin tegenover het huis. Hij stond onder een lantaarnpaal en de rood-wit-blauwe sliert die er aan hing, veegde zo nu en dan over zijn auto. Verderop hadden mensen een draad met versiering tussen twee bovenverdiepingen dwars over de straat gespannen.

Hij keek naar het huis. Het was vrij smal: naast de voordeur was een vrij groot raam en aan de andere kant een heel klein raam. Het eerste zou de huiskamer zijn, het tweede het toilet. Het grote raam was volledig afgedekt met lange vitrages, die verder kijken in de huiskamer onmogelijk maakte. Hij kon wel zien dat er een bed voor het raam stond; het leek of er een oude man in dat bed zat, in een houding alleen maar mogelijk met een aantal kussens in de rug.

Hij was een half uur te vroeg. Zin om die tijd te gaan zitten wachten had hij niet. Hij wilde dit zo snel mogelijk achter de rug hebben, stapte uit en liep naar het huis.

25

De bel was zo eentje waar je hard op moest drukken om er geluid uit te krijgen, je zag ze niet veel meer. Als hij er op zou drukken, kon hij niet meer op zijn besluit om hier te komen, terugkomen. Hij zuchtte, hij had het hele eind niet voor niets gereden. Voor de zekerheid drukte hij drie keer en verrassend snel opende Richard de deur. Eddie was nog aan het bedenken wat hij zou zeggen, het hoefde niet.

U bent wel wat vroeg”, zei Richard, bijna geirriteerd.
Oh, ik kan wel later terugkomen, hoor”, bood Eddie aan.
Richard schudde zijn hoofd, had zich blijkbaar gerealiseerd dat Eddie de mogelijkheid overwoog om weg te gaan en niet terug te komen. “Het is niet zo'n probleem. Maar misschien kunt u even in de gang wachten?”

Eddie knikte en liep achter Richard de gang in. Het was inderdaad een gang, geen halletje. Alle kamers waren verbonden met die gang en er was aan de rechterkant een trap naar de bovenverdieping. Toen Richard de deur achter hem sloot, viel Eddie op hoe donker en somber het hier was, ondanks dat het plafond vrij hoog was. Er hing een roestige fiets aan een haak boven hem. Die zat aan een touw en kon omlaag getakeld worden.

Richard was de eerste deur links ingelopen en had de deur achter zich gesloten. Eddie kon wat onduidelijke geluiden ontwaren. Ze spraken daar met elkaar, hij kon de woorden niet echt horen. Na een paar minuten kwam Richard weer te voorschijn en nodigde hem wat formeel uit om mee te gaan: “Wilt u mij maar volgen, alstublieft.”

Hij kwam in een klein kamertje terecht, met een bed voor het raam aan de linkerkant, recht voor Eddie was het meubilair te zien dat ooit tijdelijk bij elkaar was geschoven om ruimte te creeren voor het bed en rechts een stel glazen serredeuren, die door de bloemmotieven die ze moesten sieren, waarschijnlijk het zicht benamen op een andere huiskamer. Deze moest haast wel de “mooie” kamer zijn, de “zondagse” kamer.

Eddie besefte weer eens dat hij leed aan beroepsdeformatie: hij keek eerder naar de constructie en de inrichting van huizen dan naar mensen. Hij concentreerde zich nu op het bed waarop een uitgeteerde zieke diep in de kussens zat. Ze had een blonde pruik opgezet, die in de haast niet helemaal goed was opgezet.

Hijzelf vroeg zich nu nog meer af, wat hij hier kwam doen. Wat was het nut van al dit? De zieke op het bed gaf hem geen enkel gevoel van herkenning en het besef dat zij was wie ze was, maakte dat hij geen enkele compassie voelde. Het was alsof hij naar een ding keek. Hij had er fout aan gedaan om hier naar toe te gaan, hij wist het nu zeker.

Alice had teruggekeken en strekte nu haar armen uit. “Als een harpij haar vlerken”, dacht Eddie. Haar gezicht was inderdaad onherkenbaar: de wangen ingevallen, een smartelijke mond, fletse ogen. Met recht een slopende ziekte waar ze aan leed. Dit wenste je niemand toe. Of misschien toch wel. Eddie voelde zich bijna schuldig.

Oh, Eddie, wat fijn dat je bent gekomen”, fleemde ze. “Ik ben je ondanks alles nooit vergeten. Misschien was je wel de allerliefste...” Ze wenkte en hield haar armen opnieuw gespreid. Blijkbaar verwachtte ze van Eddie dat hij zich in haar armen zou storten.

Eddie wist even niet wat bij hem overheerste, weerzin of schuldgevoel. In een film zou hij nu naast haar gaan zitten, haar uiteindelijk vergeven, er zouden violen gaan klinken en dit zou het bitterzoete einde zijn. Maar hij kon het niet opbrengen, een gevoel van weerzin en een soort paniek kwamen bij hem bovendrijven.

Hij draaide zich om en liep de kamer uit, terwijl uit Alice onmenselijk klanken begonnen te klinken. Hij hoorde achter zich Richard uit de “mooie” kamer komen en iets zeggen. Eddie luisterde er niet naar en liep snel het huis uit. Pas in de auto kon hij weer adem halen.

Nog steeds klonk haar stem in zijn oren, als een hond die net is aangereden en niet te redden is. Vanuit zijn ooghoek kon hij Alice op het raam zien slaan, ze had een punt van de vitrage opzij getrokken. Naast het bed stond Richard, met vitrage om zich heen als een persiflage op een bruid. Hij keek alleen maar.

Eddie startte de motor en zette de cd-speler aan: “Go your own way”. Hij zong mee terwijl hij de straat uitreed.
=================================================


Geen opmerkingen:

Een reactie posten